In Haarlem hebben we al decennialang een horecatijger-mentaliteit waarbij we zelf wel uitmaken wanneer de kroeg dicht gaat. “Als ze willen sluiten, dan slaan ze mij maar van de barkruk af!” Ik herken nog elke dag de zweem van rebellie en ‘underground culturen’ in de kunst, de literatuur en de muziek met een DIY-mentaliteit die nu lijkt te zijn verzwolgen door slechts wat ‘likes’ op sociale media. Al op vroege leeftijd kwam ik hier in ons stadje in aanraking met het begrip: ‘een halfje wit en een halfje bruin’, met het eerste chapter van The Hell’s Angels, met tuigfamilies die elk klusje wisten te klaren en met kunstenaars en muzikanten waarvan ik altijd dacht dat ze lichtjaren ouder waren dan ik.

Cultuurjagers van toen en nu

Wat deden al die jonge en oude cultuurjagers en -snuivers toen en wat doen ze nu? Wat maakte het ons-kent-ons-denken vanuit ’t Prieel, vanuit de Amsterdamse buurt of vanuit Noord zo bijzonder? En, vooral, wat dreef hen destijds om te doen wat ze het liefst nog steeds doen? Hoe kijken ze terug op hun eigen stad en wat is er van hun oorspronkelijke ideeën nog tast- en zichtbaar? Of, waarom zijn ze vertrokken en hebben ze ons Haarlem de rug toegekeerd? In een aantal portretten komen jong en oud Haarlem samen te praten over cultuur, muziek, literatuur, theater, kunst en de liefde voor een stad. In dit derde deel: Brigitte Kaandorp.

Brigitte Kaandorp

Voor mij is Brigitte Kaandorp mijn favoriete tante van Kennemerland. Of mijn oudere nichtje, want zoveel leeftijdsverschil hebben we nou ook weer niet. Al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw maakt ze podia onveilig als cabaretière met conferences en liedjes die uit ieders leven zijn gegrepen, maar heel slim, venijnig en grappig in elkaar steken. In cynisme is ze wat mij betreft dé rechtlijnige opvolgster van Annie M.G. Schmidt. En, hoewel ze heel absurdistisch te werk gaat, is de overdrijving niet zo heel erg groot en ligt herkenning snel op de loer. Ze wisselt hilarische stunts af met gevoelige liedjes. Dikwijls gebruikt ze het overslaan van haar stem in haar zangtechniek. De Officier in de Orde van Oranje-Nassau, winnares van o.a. ’t Camerettenfestival en de Gouden Harp vindt het niet haar missie de wereld te verbeteren, maar wel te entertainen, met hier en daar het raken van een gevoelige snaar (op een ukelele).

Rendez-vous op een gesloten terras

Ik ontmoet ‘Briezjiet’ Kaandorp tijdens de zogenaamd intelligente lockdown op het terras van een gesloten café in Overveen. 

“We gaan los René! En dan wil ik gelijk rechtzetten dat ik Bri-gitte heet. Toen ik voor het eerst op tv kwam, toen zat er nog een presentatiemevrouw naast een bos bloemen bij de VARA op tv die me aankondigde als ‘Brieszjiet Kaandorp’. En dus noemt de helft van Nederland mij nog steeds zo. Zeg gewoon Bri-gitte, zoals je dat in het Nederlands uitspreekt. Ik kom uit Haarlem-Noord waar mijn moeder nog steeds woont. We waren met zijn zessen, ik was de derde van vier kinderen. Allemaal van Rooms-Katholieke komaf. We gingen keurig naar de Liduinakerk op de Rijksstraatweg. Nu al lang niet meer, sorry, maar wie nog wel tegenwoordig?”

Boerinnendroom

“Vroeger wilde ik boerin worden. Ik had van die plastic beestjes en een zelfgemaakte plattegrond met boerderijtjes van papieren bouwplaten. Echt, ik was in de volle overtuiging dat ik boerin zou worden. Zo overtuigd dat ik een weddenschap met mijn broer afsloot dat als ik géén boerin zou worden, hij het toen belachelijk hoge bedrag van honderd gulden van me zou krijgen. Feitelijk ben ik hem dus nog geld schuldig, maar ik houd wijselijk mijn mond.”

Nederlands spreek ik al…

“Ik ging studeren omdat mijn vader vond dat we allemaal een universitaire opleiding zouden moeten volgen. Die intelligentie hadden we ook wel. Mijn vader was van voor de oorlog. Hij moest in dienst en naar Indonesië, dus hij heeft zelf nooit kunnen studeren en wilde maar wat graag dat wij dat wel zouden doen. Mijn jongste broer is doctorandus en heeft zijn studie afgemaakt. De rest is jammerlijk vroegtijdig afgehaakt en is wat anders gaan doen. Ik ook. Ik ging Nederlands studeren omdat ik letterlijk dacht: “Nederlands spreek ik al, dat kan niet al te moeilijk zijn.” Dat was het natuurlijk wel. Bovendien lag mijn interesse totaal ergens anders. Uiteindelijk ben ik afgehaakt en het toneel opgelopen.”

In 2011 bracht uitgeverij Nijgh & Van Ditmar Brigitte Kaandorps ‘Dit is een meezinger’ uit. Het gebonden boek bevat al haar beroemde liedteksten inclusief alle bladmuziek, dus iedereen kan op piano en ukelele meespelen en -zingen. Daarnaast schreef Brigitte bij elk lied een uitvoerig en vaak hilarisch verhaal over de ontstaansgeschiedenis, en bevat het boek talloze unieke documenten, waaronder haar afwijzing voor de Kleinkustacademie!

Interesse voor het toneel

“Toneel deed ik al op de middelbare school. Daar lag mijn echte interesse. Talentenjachten, etc. Ik had op een gegeven moment een ukelele’tje gevonden en daar ging ik stomme liedjes mee zingen zoals ‘Annelies van der Pies’. Dat stond ik dan te zingen op een verjaardag of in de kroeg totdat iemand me vroeg om op te treden op een studentenfeest of ik kreeg een uitnodiging voor een lesbische vrouwenmiddag in de bibliotheek. Zo groeide dat. Ik kon nog in de luwte oefenen en dus het vak leren. Ik  heb nooit een opleiding gehad. Ik heb wel geprobeerd om op de kleinkunstacademie te komen, maar daar werd ik niet aangenomen. En nu lopen ze stage bij me. Helaas, men zag het toen niet.” 

Je hebt altijd een fascinatie gehad voor liedjes?

“Ja, daar is het mee begonnen. Niet vanwege onze smartlappencultuur, want daar had ik vroeger niets mee. Ik speelde als kind viool. Van mijn achtste tot aan mijn achttiende. Maar dat was helemaal geen instrument voor mij. Daar moet je eigenlijk heel ‘outgoing’ voor zijn. En lyrisch. Snap je? Een viool moet je echt laten horen. Ik stond een beetje verlegen op dat ding te krassen – nou ja, ik kon het heus wel – en in een orkestje kan ik best nog wel goed mee, maar solo is een viool verschrikkelijk, vind ik zelf. En toen vond ik dus zo’n ukelele’tje op zolder. Die had mijn zus ooit gekregen omdat ze een gitaar wilde. Je ouders zeggen dan zoiets als: “Probeer het eerst maar op een ukelele!” Voor mijn zus minder leuk maar voor mij wel leuk! Mijn zus is trouwens later wel gitaar gaan spelen. Ik vond dat ding dus met een boekje erbij van hoe het moest. Ik weet niet of je ooit een ukelele in je handen hebt gehad, maar dat is vrij simpel. Het zijn vier snaren in plaats van zes. Dus ik had heel snel in de gaten hoe dat ding werkte en ik kon al heel snel die liedjes uit dat boekje zingen. Van die kampvuurliedjes! En, toen heb ik een keer van een gedichtje dat ik had geschreven een liedje gemaakt. Dat liet ik aan mijn zus laten horen en die moest erom lachen. Dan ontdek je dat het leuk is, dat je het kan en dat er een medium is, iets waarmee je kunt optreden. Zo ging dat. En pas later kwamen de praatjes als vanzelf tussendoor. Want in eerste instantie had ik alleen maar liedjes. De conferences kwamen dus later.” 

Een goed gevoel voor de ouderwetse punchline op het juiste moment had je klaarblijkelijk al wel? Een goede copywriter in de dop?

“Tja, ik vind wel dat als je op het toneel staat, dan moet je wel de mensen bij de kladden grijpen. Als ik met een ellenlang neuzelliedje kom dan gaat niemand luisteren. Als ik met grappige dingen kom, dan luisteren ze wel. Ik zorgde er wel voor dat het werkte natuurlijk. Dat is waarom ik nu nog steeds op het toneel sta. Ik zorg dat het werkt. Gevoel voor taal heb ik niet door mijn studie. Dat zat er altijd al wel in. Ik weet nog dat ik op de lagere school zat en de meester vroeg wat er nu precies bedoeld werd met de zin: “Makkers, staakt uw wild geraas!”. De kinderen schreven wat brabbeltaal op, want niemand wist precies wat er bedoeld werd. Als kind versta je die taal ook niet en je hebt op die leeftijd niet echt de aandrang om erachter te komen wat die oubollige woorden betekenen. Het rare is dat ik toen ergens al wel wist wat die zin inhield en kon het foutloos opschrijven. “Jongens, hou eens op met die herrie”, betekent het. Ik weet in ieder geval dat ik toen al gevoel had voor teksten en liedjes. Zo vond ik het raar dat “Ozewiezewoze, Wieze walle kristalla, Kris oze wieze woze, Wieze wies wies wies wies…” niet eindigde met ‘woze’ of iets van gelijke strekking want dan rijmt het op ‘ozewiezewoze’. Dat het eindigt op: “Wies, wies, wies” snap ik niet. Dat vond en vind ik nog steeds heel stom. De logica ontbreekt en dat vind ik nog steeds storend.” 

Wat zijn de beste liedjes ooit en waar haal je anno nu nog steeds inspiratie vandaan?

Jenny Arean en Brigitte Kaandorp in ‘Gedeelde Smart’.

“Jenny Arean heeft een heel goeie neus voor tekstschrijvers en componisten, dus… ‘Amsterdams Parfum’ is heel mooi van haar. ‘Zing Dan’ is prachtig. ‘De Mooie Dingen’ is mooi en gaat over een vader die met zijn dochter het standbeeld van Theo Thijssen ziet en gaat uitleggen wie dat is. Dan bedenkt de vader opeens: “Oh, daar gaat het over in het leven, de liefde te herkennen vroeg of laat, en onderweg de mooie dingen aan te wijzen.” En, wat zingt ze nog meer? O ja, ‘Cimetière’, nou ja eigenlijk alles van Jenny Arean vind ik mooi. Nou zo, ik vind dat ik genoeg heb gezegd over Jenny!” 

Ga je de boeken in als de favoriete tante van Kennemerland? Je zegt in elk geval waar het op staat en daar is jong en oud hier heel blij mee. En soms, zoals met je verhandeling over de babyboomers doe je dat in een zaal vol mannen van middelbare leeftijd. Op een manier zoals een crisismanager met zijn flipover dat zou aanpakken in een teamsessie. Ik vond dat heel grappig omdat het publiek niet echt doorheeft dat het over hen gaat?

“O is dat zo? Dat zou zomaar heel goed kunnen. Jij bent 51, ik 59, dus we zitten een beetje in dezelfde ‘range’, zeg maar. Het liedje: ‘Ik Heb Een Heel Zwaar Leven’ gaat over iemand die ik ken en die is zo. Dat zeg ik dan ook altijd. En, jawel, de basis van de babyboomerconference ligt bij het feit dat ik zogenaamd boos was op de babyboomer. Niet op alle babyboomers, want je mag niet generaliseren hè! Ik weet niet of zij zich aangesproken voelen. Geen flauw idee. Maar, zo voelde het destijds wel voor me. Eigenlijk nog steeds wel een beetje. Wij zitten er net onder. Ik sprak dan vroeger zo’n vent die tien jaar ouder was en die verweet ons dat wij niet meer protesteerden. Waar moeten we tegen protesteren dan? Jullie hebben alles al omver-geprotesteerd dus wij kunnen niet eens meer protesteren al zouden we dat willen. Snap je? Hij vond ons niet mondig genoeg, ofzo. Die generatie heeft wel heel veel mazzel gehad. Op financieel vlak, qua studiemogelijkheden en qua maatschappelijke vorming. Wij liepen er maar achteraan.”

Hoe kritisch was je toen je begon en verschilt dat veel met nu? Juist in een tijd dat we niks meer kunnen hebben en iedereen last van een rugzakje schijnt te hebben?

“Daar heb ik het nooit over gehad. Da’s jouw perceptie. Ik heb het wel ooit gehad over een koffietentje waar mensen met een beperking werkten. De terminologie verandert voortdurend. Dus, eerst waren het mongolen, toen mensen met het syndroom van Down, toen mensen met een geestelijke beperking, daarna een beperking en toen heb ik er maar mensen van gemaakt met een verstandelijke uitdaging. Of zoiets. Ik heb echter nooit commentaar geleverd – want daar kijk ik wel voor uit – op wat politiek correct of incorrect is. Ik wil dat op het toneel niet aankaarten. Juist omdat in vergelijking met de jaren tachtig mensen veel gevoeliger zijn geworden. En nu ontstaat er zoveel kritiek op hoe voorzichtig iedereen is met het elkaar benoemen, dat het hysterisch wordt. Je kunt niets meer zeggen of mensen zijn nu beledigd. Dat is nu zo, maar ik gebruik het niet in ons programma.”

Waar ik naartoe wil is: zijn er liedjes, teksten en conferences van vroeger die je dus nu absoluut niet meer kunt brengen?

“Ah, die vraag snap ik wel. Het is veranderd, sowieso. Iedereen heeft lange tenen tegenwoordig. Het is de huidige uitsluitcultuur. Iedereen hoort bij een groepje. En, als je bij een groepje hoort, dan kun je opeens beledigd zijn door andere groepjes die dan iets fouts zeggen over jou. Een blond iemand mag geen dreadlocks want die zou daarmee zich een cultuur toe-eigenen die niet de zijne/hare is.” 

Ben je ooit benaderd door de Rijksoverheid of door SIRE bijvoorbeeld om je op sociaal-maatschappelijk vlak in te zetten?

“Ja, ze willen heel graag dat ik iets kom zeggen ergens over, maar dat weiger ik altijd. Ik blijf liever een grappenmaker die de mensen aan het lachen maakt en op die manier de wereld wat lichter maakt, dan dat ik ga staan voor iets. Zodra je ergens voor gaat staan, dan zegt de andere helft: “O sta jij daarvoor? Wij niet! Weg met jou!”. Die positie wil ik dus helemaal niet innemen.” 

Je bent ook weinig te zien als gast in talkshows of als kandidaat in spelletjesprogramma’s? Bij mijn weten heb je je ook nooit geleend voor reclames?

“Nee, waarom zou ik? Ik doe waar ik goed in ben en waar ik lol in heb. Daar verdien ik ruim voldoende geld mee. Dus, reclame hoef ik sowieso al niet te doen. En, het klinkt blasé, maar mijn shows zijn altijd uitverkocht dus ik heb ook niet de reclame voor mezelf nodig in een talkshow.”

Brigitte Kaandorp - Patricia Steur
Foto: (c) Patricia Steur

Ben je milder of juist recalcitranter geworden?

“Nou, milder in het algemeen. Gewoon als mens en naar andere mensen toe. Je wordt gewoon milder naarmate je ouder wordt. Niet dat ik vroeger een vervelend mens was, maar ik ben milder naar mezelf ook. Ik kon vroeger nog wel eens gefrustreerd zijn over wat je allemaal niet kunt. Terwijl ik nu denk: “Jammer, dat is dan zo kennelijk”. De uitsluitcultuur van nu vind ik wel heel lastig. Dat vind ik stom. Dat is zo simpel en zo zwart-wit gemaakt. Alsof de wereld zo simpel in elkaar zit dat je kunt bepalen wie er goed en wie er fout is. Want, dat is uiteindelijk wat de uitsluitcultuur betekent: wij horen bij het goede clubje en jij zit bij het foute clubje. Daar doe ik niet aan mee.”

Ben je wel eens gevraagd voor een oudejaarsconference en zou je dat willen?

“Aan de ene kant zou ik dat wel leuk vinden en een eer. Maar aan de andere kant levert het heel veel stress op dat ik niet weet of ik daar wel zin in heb. Ik bedoel, ik vermaak me prima met wat ik doe. Zo’n oudejaarsconference is toch een apart genre waar je effetjes op moet studeren en dat echt toch wel goed gaan aanpakken. Ik denk heus wel dat ik het kan als ik me daar op stort, maar ik heb niet de ambitie of het eergevoel om dat echt te willen.” 

In hoeverre speelt Haarlem of de nukken en de grillen van de Haarlemmer een rol in je werk?

“Niet veel. Alleen als ik in Haarlem sta dan is dat heel leuk. Het is je eigen stad. Alle conferences komen uit je eigen kring en buurt. Elders in het land zeg ik: “Ik was in de supermarkt”. In Haarlem zeg ik: “Ik was bij de Deka op de Gedempte Oude Gracht”. Dat is grappiger omdat iedere Haarlemmer dat direct kent. Haarlem wordt er dus makkelijker en sneller bijgehaald. Het is niet zo dat ik het in mijn conferences veel over Haarlem heb.” 

Merk je verschillen in het publiek? Reageert men anders op je in Groningen dan in Rotterdam?

Het gekke is dat ik makkelijker speel in het Noorden dan in het Zuiden, om het maar over een kam te scheren. In het Noorden zijn ze directer. In Groningen en Friesland zou men stug zijn, maar ik vind het daar altijd leuk. In het Zuiden zijn ze iets ingehouden. Je zou denken: “Dat zijn de feestneuzen!”. Het valt me op dat dat bij mijn publiek niet automatisch het geval is. Ik krijg ze altijd wel aan het lachen natuurlijk. Dat is mijn eer te na. Het ligt ook aan de zaal trouwens. Je hebt fijne zalen en dat speelt veel makkelijker. Dan denk je nog dat het aan het publiek ligt, maar dan is het hoe die mensen in de zaal zitten, hoe de zaal klinkt, hoe je eigen lach klinkt en hoe opgaat in het gelach van de rest. Je hebt ook van die rotzalen en dan zit je een beetje eenzaam in die zaal. Dan hoor je vooral jezelf lachen en hoort de rest niet. Of je hoort die lach niet goed op het toneel terugkomen omdat die in de zaal blijft hangen. Dan vindt men het wel hartstikke leuk, maar ik hoor dat dus niet en dan is het dus echt de zaal die niet klopt. Carré in Amsterdam, dat is toch wel de gezelligste zaal van Nederland ongeveer. Maar goed, je hebt dus ook van die heel ongezellige rotzalen die niet willen.” 

Je hebt een paar jaar Nederlands gestudeerd. Is cabaret niet een logisch vervolg op de oude Rederijkerskamers?

“Dat zal best wel. Toen waren ze ook grappig, deden liedjes en schreven venijnige teksten en hielden je voortdurend een spiegel voor. Een groot Camerettenfestival, zeg maar. Maar ik put daar niet echt uit. Ik wist dat het bestond maar eerlijk gezegd heb ik zelden iets gelezen uit die tijd. Ik doe daar verder niets mee.”

Wat herken je en wat herken je absoluut niet meer van je oude omgeving?

Vroeger was Haarlem echt wel mijn stad. Waar je uitging in je pubertijd in je middelbare schooltijd, naar de film, naar James Bond met zijn allen, uit in Café Studio op de Grote Markt. We kenden heel Haarlem natuurlijk. Uit in de Toneelschuur op de Smedestraat met 7,50 zakgeld. Dan kocht ik voor 6 gulden een kaartje met mijn CJP-pas en had ik dus nog 1,50 over voor slechts één drankje. Kun je nagaan dat het allemaal niks kostte vroeger! Vrienden van me woonden echt in de binnenstad in de Barteljorisstraat, dus ik was veel in het centrum te vinden. Ik heb later een half jaar in Amsterdam gewoond, maar dat vond ik vreselijk daar. Veel te groot, echt helemaal niks. Ik woon nu in Overveen en kom eigenlijk nog maar heel weinig in Haarlem. Café De Studio was vroeger mijn stamkroeg. Maar, er komt een moment dat je stamkroeg bevolkt wordt door een heel ander nieuw publiek dat jou ineens bijzonder vindt. Dat gebeurt en in principe mag dat overal, maar liever niet in je eigen stamkroeg, snap je wat ik bedoel? Liever niet. Dat is zo gênant en stom.
We kwamen daar altijd. Dan probeerden we na de voorstelling nog even een drankje te doen. Dat stond ook altijd al klaar voor ons. Dat was leuk en we waren jong, dus we konden alles nog hebben. Ik moet er nu niet meer aan denken om midden in de nacht daar nog een kopstoot te gaan drinken! Op een gegeven moment dan kom je er te weinig meer en dan besef je dat het je kroeg niet meer is. Dat ligt aan mezelf. Ik werd ouder. Dat ligt niet aan Café Studio. Ik herinner me dat toen ik er ooit zat tal van jongeren van alles van me moesten. Drank zit er al in. Het is middernacht en dan is iedereen toch al wat losser. Er komt een moment dat het vervelend wordt. Dan ben je of te oud of is de kroeg je stamkroeg niet meer. Ik woon nu in Overveen, een soort aanhangsel van Haarlem en kom nog wel eens op de markt op zaterdag. Voor de rest heb ik hier alles. Prima winkels hier. Ik mis verder niks. Ik word ouder jongen! Ik ben bijna 60, vermaak me prima in mijn eigen achtertuin.” 

Naar het buitenland, ergens anders aarden in een totaal andere omgeving? Dat zit er dus niet in?

“Ik ben wel een buitenmens. Maar, dan wil ik weer niet een huis, want dan ben ik alsnog binnen. Achteraf buiten wonen zou leuk zijn, maar ik weet dat ik dan even mijn wandeltje om de hoek naar de supermarkt ga missen of even een gezellig babbeltje met de buren in de straat. Ik hou wel enorm van kamperen. En dan niet met een wc-rol over straat, maar echt wildkamperen. Gewoon wekenlang door de Pyreneeën en je tentje opzetten langs een riviertje en zeker niet op een geijkte camping. Dat is leuk, want je bent zo vrij als een vogeltje in de lucht. We rijden dan wat rond en zoeken de perfecte uitvalsbasis om te wandelen. Soms voor een paar dagen zelfs met een tentje. Een tweede huis heb ik dan echt niet nodig. En het terugreizen is leuk. Lekker een beetje door Frankrijk rommelen. “Zullen we hier stoppen? Okee!” Je komt dan altijd weer een aftandse plek terecht waar niemand staat. Dat heeft ook zo zijn charme en gaat onverwachts voor lekker eten. Je moet natuurlijk niet ANWB-goedgekeurd gaan lopen zoeken, want dan sta je dwars tussen de Nederlanders.”

Wie zijn de jonge talenten volgens jou?

“Wie zijn er leuk op dit moment. Dat zijn er een heleboel. Even kijken, want ze zitten in mijn app-groep. Eva Crutzen, maar die is al een tijdje bezig. Net als Ronald Goedemondt, Gover Meit alias Stefano Keizers, Alex Ploeg, Yentl & De Boer, Yannick van de Velde samen met zijn klasgenoot Tom van Kalmthout in Rundfunk, dit is zomaar willekeurig natuurlijk. Wie is er nou echt een talent? Ik zie zelf niet heel veel. Ik ben geen scout of zo, en ik speel zelf nog behoorlijk veel dus er gaat veel aan me voorbij. Mijn regisseuse werkt met Martijn Kardol, zegt je dat wat? Zij is altijd heel enthousiast. Ik ben toch wel meer van de wat oudere generaties. O ja, wacht even; Glodi Lugungu, da’s ook een leuke jongen. En knap! Kijk anders even op www.zwartekat.nl wie en wat je leuk vindt.

Glodi vroeg me ooit hoe je een liedje schrijft. Dan zitten we in Carré na afloop en praten over hoe ik werk en welke aanpak iemand hanteert. Ik heb geen coachingsprakijk en geef geen les, maar spreek wel jongeren en talenten in het vak en deel ervaringen in teksten, in conferences en de opzet van liedjes. Mijn manco is dat ik vaak namen vergeet en soms hoor je er na een paar jaar ook nooit meer wat van. En, het is en blijft een lastig vak. Het is moeilijk om boven te drijven en mensen uit te vogelen die jou leuk vinden. De jeugd nu heeft het zwaarder dan onze generatie. Hoe kun je anno nu je vak leren? Je moet vlieguren maken. Ik heb duizenden vlieguren kunnen maken als 18- of 19-jarige. Elke bieb had wel een culturele middag en dan moest er cultuur komen. Dan kwamen ze bij mij uit en kreeg ik 300 gulden. Voor mij een astronomisch hoog bedrag, zeker als 18-jarige. Zo in het handje. Maar, ik heb ook ongelofelijk vaak gespeeld voor studentenverenigingen, voor de hanenkammen in zo’n zwartgeschilderde jongerenboerderij. Dat had je toen nog. Er was geld voor cultuur en voor jeugd. Als je nu een vak wilt leren of ervaring wilt opdoen, dan heb je het moeilijk. Dan mag je blij zijn als je een festival wint. Dan kom je in een poule van finalisten terecht en dan worden er twintig voorstellingen voor je geregeld. En, dan mag je een half uur spelen. Ik stond gewoon op een buitendag van een studentenvereniging en daar waren bral-apen van het corps. Hun sport was het om degene die op het toneel stond, weg te krijgen. Dan moest je net bij mij zijn. Je leerde precies hoe je de grootste brulaap eruit moest halen en hem op zijn nummer moest zetten. Dan krijg je de handen wel op elkaar juist omdat ook het publiek waardeerde hoe ik hun grootste schreeuwlelijk te kakken zette. En als het dan ging regenen, dan kwam juist die jongen het podium op om me een jas of paraplu aan te bieden. Je wist dat je op dat moment iedereen voor je gewonnen had. Maar, dat moet je dus wel leren en ervaren. Je moet zelf wel een brutale bek leren ontwikkelen. Hoe doe je dat als je nooit ergens mag optreden? Heel lastig! En vooral heel sneu voor jongeren nu.”

Brigitte Kaandorp zit bijna 40 jaar in het vak maar blijft relevant en weet nog steeds een gevoelige snaar te raken. 

Meer info: www.brigittekaandorp.nl

Fotografie: Patricia Steur | Brigitte Kaandorp

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here