Afgelopen zaterdag liep ik mijn inmiddels vaste route van mijn studio naar de binnenstad van Haarlem. Het is een klein stukje van nog geen tien minuten, het viaduct onder het treinstation door. Onderweg naar mijn werk, of tijdens een snelle sprint om de trein te halen ontgaat me nog wel eens het één en ander. Maar sommige dagen, zoals afgelopen zaterdag, ontgaat me geen enkel detail. Dan steek ik een van de grachten over en zie ik verbindingen die anders onzichtbaar blijven – zoals die tussen mijn liefde voor taal en de stad. Dan weet je dat het tijd wordt om een nieuwe column te schrijven.

Ik stond die ochtend voor het stoplicht te wachten en – ondanks dat het nog vroeg is voor een weekenddag – met mij vele anderen. De avond ervoor werd namelijk aangekondigd dat de winkels weer open mochten en gek genoeg staat zoiets vandaag de dag gelijk aan de aankondiging van de line-up van een groot muziekfestival (voor mij, althans). De energie op straat is ondanks het gure weer duidelijk anders dan de dagen ervoor. Er hangt nog lage mist, maar wanneer ik daar doorheen kijk zie ik weer die tekst: ‘Men gaat op reis om thuis te komen’. Ik heb dat citaat van Bomans inmiddels vaak gelezen, maar nu pas laat ik de woorden één voor één op me inwerken.

Toen ik bijna een jaar geleden begon bij Haerlems Bodem woonde ik nog in Amsterdam, maar ik ben opgegroeid in Haarlem – en won een door de redactie georganiseerde schrijfwedstrijd – dus mocht mij desondanks bij het team aansluiten. Het gedicht dat ik voor deze wedstrijd schreef is gebaseerd op het project Haarlemse Muren, waarvoor naast de spreuken van Bomans eerder al een citaat van Coornhert – ‘Wie niet twijfelt leert niet’ – op een lege wand in de Jansstraat werd aangebracht.

In ieder geval: in december ben ik terug verhuisd naar mijn geboortestad. Het is niet dat Amsterdam me tegen begon te staan, of niet als thuis voelde. Sterker nog: misschien keer ik op een dag gewoon weer terug. Bomans’ spreuk zette me automatisch aan tot het bevragen van mijn definitie van ‘thuis’, maar dat is niet waar ik deze column aan wilde wijden. Waar het om gaat is dat mijn liefde voor Haarlem mijn liefde voor andere plekken niet uitsluit – een regel die in bredere zin opgaat trouwens. Liefde gaat nooit op: delen doet het enkel vermenigvuldigen. Stichting Literair Haarlem: zou ik zo brutaal mogen zijn om voor te stellen ook deze spreuk op een passende muur aan te brengen? Ik durf te zeggen dat ik niet de enige ben met behoefte aan representatie van zowel jonge als vrouwelijke, Haarlemse schrijvers. Want ja, ook die lopen vandaag de dag rond in onze stad – ook al zouden terecht grote namen als Harry Mulisch en Godfried Bomans hen bijna overschaduwen en doen vergeten. 

Het doel van het project Haarlemse Muren is tweeledig: inspireren en het eren van onze schrijvers en dichters. Hoe mooi zou het zijn als Haarlemse Muren daarnaast de hoge muren die het literaire veld helaas nog vaak omgeven een beetje kan doen afbrokkelen? Voor wie dit nog niet helemaal voor zich ziet, laat me het zo stellen: bied degenen die de hoge muren nog niet over (door) zijn op zijn minst de kans de buitenkanten te versieren. Met mij zijn er namelijk nog zo veel meer noemenswaardige, Haarlemse schrijvers die zich een weg over die bakstenen en betonblokken proberen te banen.

Begrijp me niet verkeerd: ook ik lees met veel passie, plezier en bewondering de teksten van grote, gevestigde namen. Sterker nog: ook ik hoop mezelf over twee jaar neerlandicus te mogen noemen. Soms kan een gedicht je zo raken dat je het inderdaad als je lijfspreuk gaat beschouwen. Een roman kan je kijk op het leven dusdanig veranderen dat je literatuur inderdaad gaat verwarren met een heilig boek. Precies dat is de grote kracht en valkuil van de literatuur. Het onterechte stigma dat deze heeft gekregen, of misschien altijd al heeft gehad, houdt naar mijn idee nog te veel geïnteresseerde lezers en getalenteerde schrijvers op afstand.

Het liefst zou ik nu een gesprek starten over wat ‘de literaire canon’ nu eigenlijk inhoudt en wie er bepaalt wie zichzelf wel of geen ‘literair schrijver’ mag noemen. Maar misschien kunnen we dat beter bewaren voor een later moment. Bas Kamps en andere bestuursleden van Literair Haarlem: mochten jullie nog steeds lezen, ook dit zou ik bij deze voor willen stellen. Mijn liefde voor Haarlem valt vaak samen met mijn passie voor taal. Zo stuitte ik laatst op een nieuwsbericht van NH Nieuws van afgelopen jaar, over Joshua Baumgarten die zichzelf via Facebook had benoemd tot stadsdichter van Haarlem. Zijn officieuze benoeming is enkel veranderd in een ‘onofficiële erkenning’. Hij voerde al een tijd de taken van stadsdichter uit, maar kreeg simpelweg het bijbehorende label niet. 

Eigenlijk brengt Joshua’s actie bovenstaande ode aan de stad en oproep aan Literair Haarlem precies samen. In tegenstelling tot in Amsterdam, – en haar vermakelijke, maar overweldigende rijkdom aan culturele aanbod en prikkels – ervaar ik in Haarlem de ruimte om mijn stem te ontwikkelen en laten horen. Ook Joshua liet zien dat die ruimte er is, zolang je hem durft in te nemen en benutten. Door zichzelf te benoemen tot stadsdichter opende hij namelijk indirect een belangrijke discussie die niet alleen in Haarlem het voeren waard is. Want inderdaad: wie bepaalt nu eigenlijk wanneer je een gewaardeerd of literair schrijver bent? Of misschien nog wel belangrijker: wie bepaalt of een stadsdichter op het prioriteitenlijstje staat? Ook hier zou ik nu graag uitgebreid over uitweiden, maar eigenlijk lijkt dat me een column op zich waard, dus die houden jullie van me tegoed.

Foto: Sandra Reeb-Gruber

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here