Ik ben geen polonaiseloper en ik zal het ook nooit worden. Van huis uit ben ik nogal recalcitrant aangelegd en dus loop, roei en zwem ik al een leven lang tegen de stroming in. Die tegendraadsheid is soms best vermoeiend, zowel voor anderen als voor mezelf, maar uit ervaring weet ik dat het minder slopend is dan lijfelijk mee te moeten hossen in een twee dagen durende polonaise door het Kielegat.

Het is inmiddels ruim dertig jaar geleden, 1983 om precies te zijn, dat ik voor het eerst (en voor het laatst) carnaval heb gevierd in Breda. Alles wat fout kon gaan, zou dat weekend ook… Afijn, de wet van Murphy in het kwadraat, zal ik maar zeggen. Prins Carnaval en zijn gevolg hadden al een behoorlijk stuk in hun kraag toen ik samen met twee vrienden op zondagavond in het Kielegat arriveerde.

Het begon al direct bij het inchecken in het hotel. De receptionist had overduidelijk iets te diep in het glaasje gekeken en gaf ons tot tweemaal toe de verkeerde kamersleutels mee. Op zich niet zo heel erg, want in de tweede ‘verkeerde kamer’ ontmoetten we drie appetijtelijke Alkmaarse dames die al aardig aangeschoten waren. Ter voorbereiding op het volksfeest in de binnenstad lieten ze zich in hun hotelkamer alvast vollopen met wodka. Na wat stom heen-en-weergelul en de gebruikelijke bijdehante opmerkingen van mijn vrienden (ik maakte me daar uiteraard destijds ook al niet schuldig aan) was het ijs gebroken en besloten we al snel om als zestal Kielegat onveilig te maken.

We waren verkleed als zeerovers, compleet met ooglapjes, slechte plaksnorren, plastic haken en op onze schouders pluchen papagaaien die akelig veel op dooie duiven leken. De dames hadden zich vermomd als hitsige verpleegstertjes. Ze droegen witte zusterkapjes met een rood kruis, hyperkorte minirokjes en uitdagende strakke bloesjes die weinig aan de verbeelding overlieten. Om hun nek hing een plastic stethoscoop waarmee ze quasigeïnteresseerd het passerende manvolk onderzochten terwijl we richting de Grote Markt wandelden en om beurten uit een fles wodka dronken. Het was pas zes uur ’s avonds, maar de Alkmaarse wodkacontainers hadden al een flinke schudder en ze waren niet de enigen.

Ik was echt niet wereldvreemd, maar ik had nog nooit zo veel beschonken mensen bij elkaar gezien. Het begrip openbare dronkenschap kreeg die avond een compleet nieuwe dimensie. Het was half februari en ijzig koud, maar er hosten honderden stomdronken feestbeesten over straat, sommige in carnavalkostuums die deden vermoeden dat het hartje zomer was. Voor de deuren van alle kroegen stonden lange rijen dus ik begreep al snel waarom zo veel dronkaards in de Brabantse buitenlucht stonden te lallen. We sloten aan in een van de rijen en het leek uren te duren voordat we naar binnen mochten. Eigenlijk was op dat moment voor mij de lol er al af. Als ik ergens een bloedhekel aan heb, zijn het wel stomdronken mensen en van in de rij staan voor mijn eten of drinken word ik meestal ook niet de gezelligste. Eigen schuld, dikke bult, want ik had natuurlijk van tevoren moeten weten dat deze bedenkelijke folklore niet aan mij was besteed. Mij de polonaise laten lopen is ongeveer hetzelfde als Lee Towers ‘You’ll Never Walk Alone’ laten zingen in een volle Amsterdam Arena vlak voordat Ajax een belangrijke wedstrijd moet spelen. Het kán gewoon niet.

Toen we eindelijk de portier hadden bereikt en ons een weg baanden door het stampvolle café, werden de Alkmaarse verpleegstertjes besprongen door tientallen ladderzatte en opdringerige partyanimals. Het werd al snel duidelijk dat dit precies was wat de bende van Alkmaar wilde en het duurde dan ook niet lang voordat ze in het feestgedruis verdwenen.

Mijn oren werden intussen geteisterd door een mix van de grootste carnavalskrakers. Van Bij ons staat op de keukendeur tot Brabantse nachten zijn lang en van ’s Nachts na tweeën tot geneuzel over hoe goed het leven in m’n Brabantse land is, echt alle narigheid kwam voorbij.

Volgens mijn vrienden kon je het carnaval alleen begrijpen als je meedeed en dus liepen ze vrolijk mee in de polonaise der Hollandse kneuterigheid. Ik niet. Ik was een carnavalsmaagd die niet ontmaagd wilde worden. Overal waar ik keek zag ik boerenkielen, dansmariekes en andere middeleeuwse achterlijkheid. Ik begreep al die geforceerde gezelligheid en valse saamhorigheid niet. Wat bezielde mensen om zich te verstoppen in een opblaasbaar peniskostuum, om vervolgens op hemeltergende muziek als een stelletje halvezolen achter elkaar aan te lopen? Carnaval in het Kielegat was voor mij een combinatie van bier, sigaretten, hoempapamuziek, naar kots stinkende mannen en zwetende dronken vrouwen die lichtjaren verwijderd leken van de half ontblote Zuid-Amerikaanse schonen uit het mondaine Rio de Janeiro die ik op het tv-scherm weleens voorbij had zien paradeerden.

“Ja, ja, een paard in de gang, bij buurvrouw Jansen,” zongen mijn vrienden luidkeels mee. Ze zwaaiden met één hand in de lucht en steeds als ze me passeerden, probeerden ze me de polonaise in te trekken. Ik werd doodmoe van het polonaise-ontwijken en het werd me met de minuut duidelijker. Carnaval was écht een feest voor anderen, niet voor mij.

Ik nam afscheid van mijn vrienden en ging op zoek naar een minder drukke kroeg waar ze wellicht normale muziek zouden draaien. Het was een kansloze missie en nadat ik anderhalf uur in de stromende regen had gelopen, besloot ik om het voor gezien te houden en mijn hotel op te zoeken. Tweehonderd meter voor mijn eindbestemming stak ik de weg over en werd ik aangereden door een bmw die werd bestuurd door een ladderzatte brabo in een bananenpak. Ik had schaafwonden op mijn handen, armen, benen en gezicht en ik kon mijn knieën moeizaam buigen, maar voor de rest leek alles in orde te zijn. De brabobanaan bood aan om me naar de eerstehulppost van het ziekenhuis te rijden, maar omdat de schade meeviel, leek het me verstandiger om de voorgestelde dronkenmansrit af te slaan. Ik had pijn en absoluut geen zin in nog meer Brabants gelal. Ik was boos, trok de dooie duif van mijn schouder en gooide hem richting de Chiquita-banaan. Uit pure woede sloeg ik nog snel even met mijn bloedende vuist een flinke deuk in zijn motorkap, waarna ik me nog beroerder voelde en naar mijn hotel strompelde.

Eenmaal binnen liep ik rechtstreeks naar de bar om een kop koffie te bestellen. Toen ik aan een tafeltje had plaatsgenomen en een eerste slok van mijn bakkie troost wilde nemen, werd ik hardhandig in mijn nekvel gegrepen, waardoor ik van schrik hete koffie over mijn piratenpak goot. Ik vreesde een boze Brabantse banaan, maar toen ik me omdraaide bleek het een stomdronken Alkmaars verpleegstertje te zijn.

“Wat… wat izz ’r met zjouwww gebeurd?” vroeg ze met een driedubbele tong terwijl ze als een krolse kat tegen me aan schuurde.
“Niks. Gewoon gevallen,” zei ik zo neutraal mogelijk.
“Laattut zzzusturtjuh ’s effe luisteren,” zei ze en ze duwde de plastic stethoscoop tegen mijn borstkas. “Alluzzz izzz oké, nikzzz aan de hand, daar kun je gewoon keiharde sekzzz mee hebben. Zzzullen we dan maar naar boven gaannn? Jouw kamer of die van mij?”
“Pardon? Bedoel je dat… dat jij en ik nu…?”
“… zzzja, waarom nie? Ut izzz toch carnaval? Dan mag toch alluzzz? Ik mag sssowiessso alluzzz, ik ben vrijgezel. Hierrr, zzzie jij een ring?” vroeg ze en ze hield beide handen in de lucht.
Ik begon te lachen en schudde mijn hoofd.
“Vind… vind je me niet aantrek… aantrekkelijk of zzzo?”
“Euh, jawel, je bent een prachtige vrouw, maar je bent ook verschrikkelijk dronken. Sorry, maar ik heb niets met dronken vrouwen, dus ik ben bang dat het niets gaat worden.”
“Duzzz… duzzz je vindt me nu niet aan… aantrekkelijk?” zei ze met een pruillipje, waarna ze hevig begon te kokhalzen, om vervolgens haar volledige maaginhoud over me heen te kotsen.
“Nee, nu vind ik je niet zo aantrekkelijk,” zei ik droog terwijl ik met een papieren servetje de ergste schade probeerde te herstellen. Ik heb haar naar haar hotelkamer gebracht, uitgekleed en onder de douche gezet. Ze bleek een geweldig lichaam te hebben, maar ze was totaal van de wereld en had geen idee waar ze was. Volgens mijn vrienden was een dronken vrouw een hoer engel in bed en ze hebben dus nooit begrepen waarom ik destijds geen misbruik van de situatie heb gemaakt. Stelletje hopeloze varkens!

Ik heb het laveloze nachtzustertje in bed gelegd en ben op mijn eigen hotelkamer mijn (schaaf)wonden gaan likken. Die bewuste carnavalszondag van 1983 is altijd in mijn achterhoofd blijven hangen. Als een soort blauwdruk van hoe het niet moet. Hij staat nog altijd boven aan mijn lijstje van slechtste stapavonden aller tijden, misschien dat ik me daarom alles nog tot in detail kan herinneren. Als ik me goed concentreer kan ik het schrale bier nog proeven, het zure braaksel ruiken, het paard in de gang horen hinniken en de pijn in mijn knieën nog voelen.

Geloof het of niet, maar ik ben normaal gesproken gek op Brabanders. Ik heb kennissen in Lampegat, in Oeteldonk én in Kielegat en bij de meesten stroomt het carnavalsbloed al een leven lang door de aderen. Ik durf te beweren dat het stuk voor stuk ontzettend warme, lieve en gastvrije mensen zijn, dat wil zeggen 362 dagen per jaar, want tijdens die drie carnavalsdagen is iedereen die niet door de zachte g-test komt een buitenlander van boven de grote rivieren. Noorderlingen die gezellig komen inhaken en zich aanpassen worden schoorvoetend geaccepteerd, maar eenmalige carnavalstoeristen zoals ik, azijnpissende idioten die weigeren mee te delen in de feestvreugde en met Randstedelijk dedain neerkijken op het zuidelijk volksvermaak, zijn ze liever kwijt dan rijk. Uit respect voor mijn Brabantse vrienden heb ik mezelf plechtig beloofd dat ik hun carnaval nooit meer zal komen verstoren. Ik gun iedereen zijn of haar feestje en ik ben eerlijk genoeg om toe te geven dat ik jarenlang niet vies ben geweest van losbollig gehoer en gesnoer, maar carnaval is nooit mijn ding geweest en dat zal het ook nooit meer worden.

Meer columns? Check hier M.H.R. Puttmann die schrijft over zijn vriend die vreemdgaat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here