Het is lang geleden dat ik me zo beroerd heb gevoeld. Alles doet me zeer. Ik lig op de bank en heb overal spierpijn. Mijn neus is verstopt, mijn keel doet zeer en ik hoest als een bejaarde kettingroker. Ik heb een zware griep, ik weet het zeker.

‘Schat, wil jij eens voelen, volgens mij heb ik koorts,’ zeg ik tegen mijn vriendin. Ze komt naast me zitten en legt haar hand op mijn voorhoofd.
‘Je bent niet extreem warm, volgens mij valt het wel mee. Ik ga de thermometer pakken, dan weten we het zeker.’ Ze staat op en loopt naar de kast.
‘Laat maar. Kunnen we niet…’
‘… nee, dat kunnen we niet,’ onderbreekt ze me. ‘We gaan gewoon je temperatuur opmeten… met een oorthermometer,’ vult ze geruststellend aan, waarna ze het tuutje van het apparaat hardhandig in mijn oor duwt. Als de thermometer begint te piepen, kijkt ze met een ernstige blik op het schermpje.
‘En?’ vraag ik in paniek. ‘40? 41 graden?’
‘38,1,’ antwoordt ze.
‘Hoe kan dat nou?’ vraag ik als ik hoestend het koude zweet van mijn voorhoofd veeg. ‘Ik ben snotverkouden en krijg bijna geen adem. Volgens mij heb ik een flinke koorts, hier, voel dan, ik gloei helemaal.’ Ik leg haar hand andermaal op mijn voorhoofd.
‘Ja, inderdaad, dit is heel ernstig. Misschien heb je wel een dubbele longontsteking. Stel je toch niet zo aan, man! Je bent gewoon een beetje verkouden en je hebt een minimale verhoging, er is verder niets met je aan de hand.’
‘Je voelt toch hoe warm ik ben. Dat ding klopt gewoon niet.’
‘Zal ik de échte thermometer dan maar even pakken?’
‘Echt niet. Er gaat niets mijn reet in,’ zeg ik vastberaden.
‘Prima, dan houden we het op 38,1 en stop je nu met zeuren.’
‘Zeuren? Ik ben doodziek! Dit is echt geen gewone griep, hoor. Ik heb me nog nooit zo beroerd gevoeld. Misschien heb ik wel een of ander eng gemuteerd virus.’
‘Ja, laten we het ergste vrezen. Waarschijnlijk is het knokkelkoorts of erger nog, ebola.’
‘Denk je?’
‘Ik weet het zeker. Mijn hemel, het is maar goed dat jullie geen kinderen hoeven te baren, want ik vrees dat het menselijk ras dan snel was uitgestorven.’
‘Waar slaat dat nou weer op? En wie zijn “jullie”?’
‘Mannen, het zogenaamd sterke geslacht. Als jullie een scheurtje in je teennagel hebben denken jullie dat je voet eraf moet en als jullie je hoofd stoten is het meestal meteen een zware hersenschudding. Jullie zijn achterlijke hypochonders, gewoon een stelletje slapjanussen, en jij bent de ergste van allemaal, want als je een beetje verkouden bent en per ongeluk twee keer achter elkaar moet niezen, verander je in een zielige kleuter en doe je of je bijna doodgaat.’
‘Wat lul je nou? Ik ben doodziek, mens!’
‘Ja, ik zie het. Ga nou maar gewoon liggen, dan pak ik een dekentje en een paracetamolletje voor je. Zal ik nog maar snel even een kopje thee voor je zetten, voordat je doodgaat?’
‘Je hoeft niet zo sarcastisch te doen. Mijn god, het spijt me heel erg dat ik zo ziek ben, ik zal het echt niet meer doen.’
‘Wie doet er hier nu sarcastisch?’
‘Ja, vind je het gek? Je had vorige maand nota bene zelf een paar dagen griep, of ben je dat soms vergeten?’
‘Nee hoor, ik weet nog precies hoe ik met 39 graden koorts gewoon het huishouden draaiende heb gehouden, hoe ik heb staan wassen en koken, de boodschappen heb gedaan en de honden heb uitgelaten, maar wij van Venus zeuren daar niet over, wij vermannen onszelf en gaan gewoon door. Het is me trouwens een raadsel waar het woord “vermannen” vandaan komt.’
‘Ik ben verdomme bijna nooit ziek, misschien één, hooguit twee keer per jaar. Waarom word je altijd zo sarcastisch en chagrijnig als ik een keertje wél ziek ben?’
‘Omdat het niet eerlijk is. Toen ik ziek was, moest ik het zelf maar uitzoeken. Jij was aan het werk en je ontvluchtte het huis om iedere reden die je kon verzinnen. Nu het andersom is weet ik precies waar het naartoe gaat. Jij ligt de komende dagen lamlendig op de bank en ik mag me de benen uit het lijf rennen om je te verzorgen.’
‘Sorry. Sorry dat ik besta,’ zeg ik zuchtend.
‘Doe niet zo zielig, man. Je hoort niet eens wat ik zeg.’
‘Ik hoor heel goed wat je zegt.’
‘Ik geloof er niets van, anders had je wel om een andere reden sorry gezegd.’
‘Ik ben ziek, schat. Ik ben er niet helemaal bij met mijn hoofd, ik denk dat het door de koorts komt. Stop alsjeblieft met twijfelen, want ik stel me echt niet aan. Ik beloof dat ik vandaag niets meer aan je zal vragen, oké?’
‘Dat hoeft helemaal niet. Ik wil met alle liefde een kopje thee voor je zetten en een dekentje voor je pakken, zolang je maar niet doorslaat,’ zegt ze met een glimlach op haar gezicht, waarna ze door mijn haar strijkt en opstaat.
‘Dat is lief, schatje. Dankjewel.’ Kermend sluit ik mijn ogen en ik voel een rilling door mijn lichaam gaan. ‘Lieverd? Als je toch naar boven gaat om een dekentje te pakken, wil je dan even de kruik meenemen, ik heb het een beetje koud. Niet te heet graag. Ik heb trouwens liever ibuprofen dan paracetamol en kun je in plaats van thee een kopje bouillon maken? O, als je toch in de keuken bent, zou je dan even een paar sinaasappeltjes voor me willen uitpersen, ik kan wel wat vitamientjes gebruiken. Misschien kun je ook meteen een paar broodjes smeren? Ik moet even iets eten tegen de misselijkheid. Of sla ik nu weer door?’
‘Ach, alles went… behalve een zieke vent.’

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here