Meer dan twintig jaar was jij het eenhoofdig leider met vele successen als alpentoppen. Jouw bar als neusje van een zeepaardje met een parel op zijn rug. Overtuigend vertelde je de verschillen tussen een enkel, dubbel of trippel, waar een IPA vandaan komt, dat een jenever een soort gin is. Zullen het er honderdduizenden zijn of haal je het miljoen? Maar zelfs na al die jaren kon jij genieten van mooi getapte bieren: “Mooie bieren,” zei je trots.

In jouw haven van de nacht kende je ieder bij naam, werden moderne technieken beperkt tot het minimum. Goed, er was een kassa maar die kwam uit een vooroorlogs era, onverwoestbaar als een olietanker. Speciale drankjes werden met codes en de knop plu ingevoerd. Onhandig? Nee, gewoon leren. Alle bestellingen werden in het grote boek achter de toog handmatig opgeschreven onder de naam van de gast; een zelden vertoond residu uit een predigitaal tijdperk. Van je werknemers eiste je dat ze ook de namen leerden – het liefst binnen een week. Je had wel een pinapparaat, maar die werkte als een voetballer met één been. Inderdaad: een éénbenige voetballer zou een bal kunnen trappen, dus waarom het pinapparaat vervangen.

Je stelde hoge eisen, niet alleen aan jezelf. Streng leidde je jouw personeel op. Velen vertrokken snel, maar degenen die bleven, en zich aan jouw haast obsessieve, perfectionisme konden aanpassen, bonden zich voor het leven. Je was de Kim Il-Song van het Haarlemse barleven; alles ten dienste van de gasten. Er kwamen schrijvers, journalisten, miljonairs en laatst stond Guus Hiddink aan tafel. Het gaf succes, jij was de beste van Haarlem en landelijk deed je mee in de eredivisie van het barwezen.
Jij was de leermeester van velen, ook ooit de mijne. Ik was trots om van jou te leren, maar kostelijke kastelein: wat heb ik je gehaat.
Ik opende en kwam ruim op tijd binnen: ik checkte koffie, thee, karamel fudges, suiker en melk. Ik sneed brood, citroenen en zette twee lege kratten achter de bar. Er was een keukensopje en een sopje voor buiten, ik vulde de ijsemmer, de spoelbak, ik telde de kassa twee keer na. Buiten, op ieder tafeltje een asbak en drie viltjes – netjes neergelegd –, op de glasbak lagen de opgevouwen dekentjes. Ik controleerde de wijnen, zette alle flessen recht en poleerde glazen. Er zaten geen vette vingers op de ramen. Bijna vergat ik jouw sloof, snel rende ik naar boven. Nu was alles in een staat van maagdelijke volmaaktheid. Je kwam aangefietst, vroeger dan verwacht, het deerde niet: ik was op tijd. Je kwam binnen en zei gedag, maar de toon verraadde dat je iets op het spoor was: “Waarom zijn de servetten niet aangevuld.” Jouw woorden sneden door mijn ziel. Ik keek naar het summiere stapeltje en wist: nu ben ik de hele avond de lul – of was jij de lul? We zullen het nooit weten.

Je hebt jouw donkerbruine kabberdoes vaarwel gezegd, Haarlem heeft afscheid genomen van een tijdperk. Jouw regime is verdwenen, een opluchting – een zucht als na het laatste stootje is duidelijk voelbaar tussen de met nicotine vergeelde muren van wat ooit jouw domein was. Eindelijk ben ik verlost van jou en je onverteerbare oekazes. Maar, waardige waard: als je het verdomme stilhoudt: ik heb een geheim voor je: ik mis je – ik mis jouw paradoxale zijn, jouw onrechtvaarig juk. Jij bent mijn Koopsholmsyndroom.

LEAVE A REPLY

Please enter your comment!
Please enter your name here