Vanuit zijn ruimteschip aanschouwt hij belangstellend de wereld om hem heen. Het enige wat hij heeft: de fles, z’n typemachine, ideeën. M.H.R. Puttmann -met dubbel t en dubbel n- bewondert het leven en beschrijft gedachten in zijn enigmatische contemplaties, speciaal voor u.

Weelderige vlokken dwarrelen liefdevol door de ivoor gekleurde lucht, ze landen op sneeuw die als een deken over de stad is neergelegd, zelfs god had het niet zo mooi kunnen verzinnen. Ik zit op een bankje in het Kenaupark, kinderen beleven jolijt aan dit steeds zeldzamer wordende natuurverschijnsel. De één gooit een sneeuwbal, twee anderen maken in hun dikke jasjes een sneeuwpop. Er klinkt een krijs van plezier, ze lachen. Ik weet dat Haarlem hemels is, maar dat mijn stad ondergedompeld in een dik pak sneeuw lijkt op een door Anton Pieck getekend decor, is een illusie die ik zelfs met Alzheimer niet zal vergeten.

Naast mij zit, om dit idyllische plaatje compleet te maken, een bejaard stel dicht tegen elkaar aan gekropen, hun knokige vingers verstrengeld door datgeen wat ons allen bindt: liefde. Ze praten aandoenlijk over het weer, spelende kinderen en de exceptionele schoonheid van dit park. Ik voel een schok want direct denk ik aan de exceptionele schoonheden van Haarlem: de vrouwen. Er zijn exemplaren zo bekoorlijk dat ze het bestaan van god uitsluiten omdat zelfs een almachtige schepper niet zoiets aangenaams kan creëren. Sommige Haarlemse dragen de term beau – zoals Fransen toepasselijk zeggen – naar een nieuwe dimensie, een plek waar ik nooit zal geraken. Ik aanschouw hen, en enkel een aanlokkelijke blik en dito glimlach laten mij als een vorstelijke vogel makkelijk achtenveertig uur zweven. Anderen belichamen de bekoorlijkheid van Cleopatra, maken alleen al met hun schaduw mij het hoofd op hol en doen mij beseffen dat onbereikbaarheid de kracht van hun pracht is; Haarlemse vrouwen oogverblindend als duizendeneen zonnen.

Het oude stel is dichter tegen elkaar aan gekropen. Hij heeft zijn krakende arm om zijn vrouw heen geslagen, zij heeft haar handen als stokjes tussen haar dijen gestoken. De tijd laat onverbiddelijk zijn sporen na. Schoonheid druipt weg als het lint van een typemachine die bij elke tik lengte verliest. Ook bij deze oudjes hebben de jaren hun sporen als diepe krassen nagelaten, de schittering is successievelijk verdwenen. Zij als een overjarige doos aardbeien waarvan de rode glans al lang is weggetrokken. Het leven is meedogenloos. Toch is de schoonheid van alle Haarlemse meisjes niets in vergelijking met de haast onzichtbare pracht van dit op het bankje zittende duo. Zij al meerdere decennia verbonden door adoratie, zij na een halve eeuw nog steeds verliefd. Hun liefde vormt de ware esthetiek van het bestaan en daar kunnen zelfs duizend Haarlemse meisjes met al hun pracht en praal nooit tegenop.

Ik sta op en loop weg, op zoek naar liefde. Er is nog een hoop te doen.

Fotografie: Wiebrig Krakau

LEAVE A REPLY

Please enter your comment!
Please enter your name here