Vanuit zijn ruimteschip aanschouwt hij belangstellend de wereld om hem heen. Het enige wat hij heeft: de fles, z’n typemachine, gedachtes. M.H.R. Puttmann -met dubbel t en dubbel n- bewondert het leven en beschrijft gedachtes in zijn enigmatische contemplaties.

Als rondvliegende gieren boven een rottend kadaver, wachtend op de laatste resten eetbaar vlees, krioelen zij over een te drukke winkelstraat. Ik aanschouw hen door het raam van de Hema terwijl ik een vette worst verschalk – de ogenschijnlijke eeuwigheid van het universum valt samen met de onveranderde smaak van deze weerzinwekkende snack. Meer walging maakt zich meester van mij als ik zie hoe deze sluwe figuren in groepen van twee hun prooien benaderen; altijd de zwakkere van de samenleving die het moeten ontgelden, immer weerloze mensen die niet voor zichzelf kunnen opkomen, dat niet durven of te lief zijn – simpel te lief voor deze vermaledijde maatschappij. Weer wordt een toekomstig slachtoffer uiterst geraffineerd benaderd. Met een ongegeneerde reclameglimlach en ogen, lieflijk als grote suikerspinnen wordt er contact gemaakt. Het makke lam heeft de nietsontziende wolf gezien en weet wat hem te wachten staat. En al kan ik het gesprek door de barrière van glas niet horen, ik aanschouw hoe het hopeloze wezen schrikt van de openingsvraag. Minuten duurt deze lijdensweg en uiteindelijk, tegen wil en dank, uit pure desolate wanhoop wordt er een handtekening gezet: de derde wereld is minder de derde wereld en de straatverkoper heeft zijn target gehaald. Daar mag op gedronken worden. Wat een feest, wat een grandioos feest.

Ik ontwijk straatverkopers met een wonderlijk redmiddel. Let op. Loop met uw mobiele kwebbeldoos aan uw oor al sprekend tegen uzelf langs deze paljassen en zij laten u gerust. Echt waar. Deze strategie heeft jaren gewerkt, maar inmiddels heeft de sluwe straatventer een tegenreactie. Gecamoufleerd staan zij achter een reclamebord wachtend op hun prooi. Wanneer het slachtoffer is genaderd springen zij als een hyena te voorschijn en grijpen zo hun kans. Nieuw zoals vandaag is dat zij staan bij uit- of ingangen van winkels om op deze wijze nietsvermoedende winkeliers bij wijze van hinderlaag vanuit de flank aan te vallen. Met mijn telefoon in de aanslag wandel ik rustig het filiaal uit. Er gebeurt niets. De staat lijkt verlaten als een verloren stad in het Wilde Westen. Een kille bries aait mijn hoofdhuid. Wat is er gaande? Ik doe mijn mobiel in mijn zak, wandel naar mijn fiets en buig om mijn slot te open. Dan op mijn zwakste moment: “Hé daar, heb je groene stroom?” Als ik met een zucht ben omgedraaid kijk ik diep in goddeloze ogen. Ik wacht. Spanning stijgt. Ik zie vraagtegens in zijn pupillen en zeg zachtjes: “Ik heb geeneens een huis, laat staan groene stoom. Terwijl ik het zwijn aankijk worden mijn ogen vochtig, de zijne vol verbazing, hij weet niet wat te doen. Een triomf. Met hangende schouders fiets ik weg naar het huis van een vriend. Ik heb echt geen huis, geen woord van gelogen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here