Mensen scharrelen verdwaasd door de klinisch verlichte ruimte, anderen dolen met ogen alsof ze net geland zijn op Mars. Een oude dame trekt haar winkelmantje voort, ze kreunt en murmelt: “Waar is die verdomde weegschaal.” Zweet parelt langs haar grijze huid. Verderop huilt een kind, hij kan de snoep niet vinden. Niet alleen klanten wanen zich als onnozelaars. Ook medewerkers turen vol ongeloof.

De Deka – mijn Deka – aan de GOG met haar smotsige tegeltjes, haveloze schappen, vaal licht en dito klanten was voor mij een wereld waar ik kon ontsnappen aan de hectische werkelijkheid. Types verkerend aan de rafelranden van onze maatschappij vonden er hun heil. Zo was er Ronnie, een vaste bezoeker die deze supermarkt gebruikte om aan zijn sociale behoefte te voldoen. Iedereen luid begroetend stapte hij met zijn Bulldog terriër binnen, schudde handjes en maakte babbeltjes met medewerkers. Om, vervolgens zonder een product aangeschaft te hebben het pand voldaan te verlaten, iedereen achterlatend in een waan van vraagtekens. Dit proces herhaalde zich minimaal zeven keer per week, soms meerdere keren per dag

Ook andere charlatans, incorrecte kunstenaars, patjepeeërs, dubieuze druggebruikers, variété-artiesten, schuinsmarcheerders, geruïneerde muzikanten, nietsnutten, lamzakken, straatratten en querulanten waren graag geziene gasten op deze broedplek voor kermisklanten en lapzwansen. Opvallend was dat het ook bij sommige medewerkers leek alsof ze als kind van de schommel waren gevallen. Zo was daar kassajuffrouw Wilma, een vrouw met een stem als een opwindpop die in het kortstondige afrekencontact zonder gêne haar hele levensverhaal opsomde – iedere keer weer. Andere keren, dacht ik, was de Deka begonnen met de vervanging van kassiers in robotten. Maar, het vermeende onmens in kwestie bleek toch een levend wezen te zijn. De Deka als oase van perfectie door imperfectie, een bron van schoonheid door gedrochtelijke lelijkheid.

Nu is mijn Deka zoals dat tegenwoordig heet gepimpt; alsof een halfdode bejaarde een facelift en nieuwe tieten heeft gekregen. Voor het eerst winkelen er gezinnen die uit een geldleen-reclame lijken te zijn gestapt, er paraderen mensen met gebleekte tanden, gekamde haren, stijlvolle jasjes, maar bovenal – in mijn Deka – flaneren er weelderige vrouwen. Ze vullen hun vernieuwde mandjes met hippe, gezonden producten. Er is een speciaal schap ingericht met heerlijke kruiden, bij de broodafdeling ronkt een fraaie oven en de groenteschappen etaleren verse, vervolmaakte groentes – er zit geen downie broccoli meer tussen. Als een kind dat zijn ouders is verloren op een druk strand dool ik rond en voel een wrevel in mij opkomen, want waarom moet in Nederland alles verfraaid worden? Mijn handpalmen beginnen te zweten. Kunnen we niet tevreden zijn met wat te hebben, moeten we concessieloos streven naar perfectie? Is er werkelijk geen ruimte voor wratjes, schimmelnagels, moedervlekken in onze naar een Brazilian Wax strevende cultuur: perfectie als goddelijke utopie.

Bij afrekenen – ook de kassadames zijn ververst – kijk ik nog één keer om. Achter mij de als hemel verlichte ruimte, ik zucht, mijn ogen worden vochtig. Dan gebeurt het, ik hoor een brul: “Goedemiddag, nou zeg dit ziet er prachtig uit zeg.” Het is Ronnie, zijn Bulldog terriër kwispelt met doordringende ogen achter hem aan. Ik slaak een zucht, niet eerder was ik zo blij deze vlegel te treffen. Dan kijk ik terug, er staan twee halve liter blikken bier op de rolband, een warme gloed trekt door mijn lijf. Ze kunnen de Deka verfraaien, maar onkruid vergaat nooit.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here