Ik ontving het telefoontje waarvan ik wist dat het zou komen. Ik dacht voorbereid te zijn, maar preparatie voor een wedstrijd waarvan je de regels niet kent is schier onmogelijk. 

Mijn benen trappen hard, de Europaweg glijdt onder mijn wielen door. De wielrenner bij het stoplicht, de bestuurder van de rode auto, niemand lijkt acht te slaan op mijn noodzaak. Het is raar hoe de verhouding tussen jou en de wereld in dit soort situaties anders lijkt te zijn. Aangekomen bij het gebouw aan de Floris van Adrichemlaan parkeer ik mijn fiets. Bij het aanzien van de grijze stenen, die tot de hemel te reiken, word ik beetgenomen door levenloosheid, alsof daarmee de stap voor de bewoners naar het einde makkelijker wordt gemaakt.

Binnen scharrelen twee oudjes achter hun rollator. Een man met een hoofd als een uitgeknepen sinaasappel zit uitgezakt op een bank. Ik vraag mij af of hij niet al dood is. Met alle macht probeert een rimpelig zakje botten haar klemmende rolstoelwieltje los te wrikken terwijl de baliemedewerkster op haar telefoon blijft rommelen. Na haar te hebben bevrijd dein ik verder de gang in op weg naar de lift.  “Het is de zesde verdieping,” speelt de stem van mijn vader door mijn hoofd.

Na het liftbelletje stap ik een lange, schemerige gang in. Dit beeld van deze tunnel, met aan weerszijden kleiner wordende lichtbronnen van openstaande deuren en met als auto’s geparkeerde rolstoelen, is net de beginscène van een triller. Helemaal omdat er aan het einde, een met het hoofd gebogen silhouet tegen de muur aan leunt.

Familieleden staan om het bed waarin ze ligt. Enerzijds voel ik angst, dit wil ik niet zien. Maar, tegelijkertijd is er een vreemd soort fascinatie: ik dwing mezelf te kijken. In een onnatuurlijke houding ligt daar wat mijn Oude Oma was. Oude Oma is haar bijnaam omdat zij in haar uiterlijke verschijningsvorm deed denken aan een echt oude oma en ik haar mijn hele leven nooit ouder dan oud heb zien worden. Een echte vooroorlogse oma, die niets verspilde, de lekkerste tomatensoep maakte en internet alleen kende van verhalen. Ze had prachtig wit-grijs omahaar, droeg een bril maar bovenal: Oude Oma was onvoorwaardelijk liefdevol.

Nooit kon ik mijn verjaardag of Kerst vergeten, mijn Oude Oma stuurde ruim op tijd een kaartje. Misschien was haar door de jaren heen krakeriger wordende handschrift een teken van de erosie van haar leven. Nu is zij het stadium van haar koosnaam ver voorbij. In flarden hapt ze naar adem en soms lijkt ze iets te willen zeggen, niet zelden vergezeld met een minder verstaanbaar geluid dan de vorige keer. Haar hoofd lijkt een oude spons met hologige ogen, omringd door een landschap van huid als as. 

Waarschijnlijk gaat mijn oma snel dood. Oma’s (en opa’s) zijn op een bepaalde manier onlosmakelijk verbonden met de dood. Het zijn vaak deze mensen die nieuwe generaties kennis leren maken met hoe het leven zal eindigen. En hoe verdrietig ik zal zijn, de dood heeft ook iets moois, iets vervelends. Want zonder de op de loer liggende dood, zou er ook geen leven zijn.

Fotografie: Hans Palmboom.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here