Ik was eerder deze maand bij Xavier Rudd geweest. Met zijn spirituele klanken, die als kleine kolibries door de lucht van Caprera dwarrelen, en haast preekachtige monologen over love, one family, and take care of the world, wist hij een slapend gebiedje in mijn brein te activeren. Want, waar de fuck zijn wij in de wereld he-le-maal mee bezig? Is er iemand die kan uitleggen wat wij hier doen? Waarom we er zijn? En, behelst onze aanwezigheid enig doel? 

Nee, er is volgens mij geen doel. We zijn per ongeluk, als een voortwoekerend organisme met z’n allen op aarde gekomen en moeten het zien uit te houden. Inderdaad: met zijn allen. Alle mensen, wit, zwart, geel, mannen en vrouwen behoren tot dezelfde soort; we zijn één familie. Maar toch leven wij in ziekelijke systemen. Onze wereld is zo oneerlijk verdeeld dat er werelddelen zijn waar bevolkingen kapotgaan van honger, oorlogen of verschrikkelijke ziektes – of een combinatie, een vrolijke cocktail. Het is nauwelijks gek te vinden dat deze wanhopige stakkers in overvolle boten oceanen over varen. Wij zien ze op onze flatscreens dobberen, vinden het erg, maar hopen toch vooral dat ze dáár blijven dobberen. Soms vergaat er een bootje, spoelen er volgelopen lichamen aan op stranden van een zonnig land. Erg? Inderdaad. Maar gelukkig is de vakantie elders geboekt. 

Soms verlang ik naar een overzichtelijke wereld, een aarde waar dingen die gebeuren logisch zijn. Neem onze economie, een systeem – daar ben ik van overtuigd – waarover ze over tweehonderdvijftig jaar zullen zeggen: wat deden zij toen raar. Een analogie met slavenhandel is makkelijk gemaakt, of hij past, laat ik aan u. Feit is wel dat de hoeveelheid geld absoluut is en iedere minuut, iedere seconden wordt het oneerlijker verdeeld. Dit vooral ten goede van een select gezelschap. Ik wil niet te veel in complottheorieën verwikkeld raken, maar er is een bijzonder kleine club mensen –  voornamelijk blanke mannen van middelbare leeftijd – die goed boert ten koste van vrijwel iedereen – vooral niet-blanken. 

Zijn wij nu beter dan onze verre, verre voorouders? Goed, wetenschappelijk zijn we verder. Technologisch zitten we in een sneltrein. Iedereen draagt een supercomputer in zijn binnenzak waarmee we bedrijven zoveel informatie over ons zelf schenken, dat je maar hoopt dat ze er de beste bedoelingen mee hebben. Vliegen naar maan is geen probleem. U en ik maken nog mee dat de eersten een enkeltje maanlanding boeken met MoonAirlines, maar brengt deze shit ons werkelijk verder?
Is de mensheid niet een wild peloton, zwoegend tegen een berg op. Tachtig procent, overwegend gekleurd, kan het tempo nauwelijks bijhouden op hun barrels – als ze die al hebben – en sterft voordat de top in zich is.  Dan is er een groep op redelijke fietsen, variërend van wielen met houten banden tot fietsen met versnellingen, ze denken nauwelijks na en volgen die vijf procent zelfingenomen, blanke, egoïstische, kopmannen die de koers bepaalt. Zij trappen de berg op, op zoek naar het nader te ontdekken doel, zonder oog te hebben voor hun medemens, dier en natuur. En des te hoger ze komen hoe meer de wereld naar de verdoemenis gaat. Ze trappen door. Ze zijn een kwelling niet alleen voor hen zelf, maar voor alles en iedereen op deze planeet. 

Iedereen staat op de banken en applaudisseert voor Xavier Rudd. Misschien heeft die barefoot lopende Xavier gelijk met zijn hippie-achtige, spirituele boodschappen over de wereld, vluchtelingen en barmhartigheid. We moeten het samen doen. Niet alleen mijn slapende gebiedje in mijn kop lijkt te zijn activeert, maar iedereen om mij heen begeeft zich in een deken van liefde en aan dit collectief besef hangt een aanbeeld van schuld en boete: we zijn de wereld aan het verkloten, er moet iets gebeuren.

Toch neemt na verloop van het tijd het applaus af, draai ook ik me uiteindelijk om en begeef me richting de uitgang. Zijn boodschap schalmt na, we kunnen de wereld een betere plek maken en iedereen om mij voelt hetzelfde. Dromerig kom ik aan bij mijn auto en denk ik ineens aan morgen; het wordt een drukke dag. Als ik rijd hoor ik aldoor zijn stem, ik open de ramen en voel de wind door mijn haren glijden. Dan schiet het verkeerslicht op oranje, ik geef gas en scheur het kruispunt over. Gehaald. Gelukkig voor mij, jammer voor het gebied in mijn kop: we moeten immers verder, de plicht roept.  

Meer lezen van M.H.R. Puttmann? Lees hier zijn column over sportende stelletjes.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here