Met hun nieuwe sportschoenen en dito kleding betreden ze de naar zweet ruikende ruimte waar, als in een slagveld, dumbells en gewichten als wapens liggen. Hij draagt de bidon met shake, tuurt als een boswachter zelfverzekerd over de schouder van zijn vriendin met een blik: kijk ons eens fit zijn. De vriendin op haar beurt, draagt de crossfit handgrips – gezien op YouTube – en in die sportbroek lijken haar benen twee rollades waarin het overtollige vet met natuurkrachten bijeen wordt gehouden. Hoe ze die hompen vet ooit in dat broekje heeft gekregen is een raadsel. Het tweetal neemt zelfvoldaan plaats op een bankje en aanschouwt een dampende zaal waar de groep voor hen de finale oefeningen doet terwijl de trainer aanmoedigt de laatste krachten als een sinaasappel uit te persen. Enkele deelnemers happen als vissen op het droge, badend in het zweet, naar zuurstof.

Een half uur later is hun crossfitles in volle gang. Ramen zijn beslagen en dit ontegenzeggelijke teken van inspanning komt van veel mensen, maar niet van het tweetal. De jongen is meer bezig wijdbeens te drinken uit zijn bidon, terwijl zijn vriendin de enige in de zaal is die wel begrijpt waarom ze de handgrips draagt – gezien op YouTube. Ook geeft de jongen zijn vriendin constant tips over hoe ze de oefeningen moet uitvoeren, is hij druk in de weer met zijn mobiel, maar de belangrijkste bezigheid is checken of zijn kennisoverdracht wordt waargenomen door de anderen. Gedurende de training is het stel voornamelijk bezig met hoe ze zich verhouden tot de groep, dan met daadwerkelijk sporten, en misschien komt hier mijn haat vandaan.

Ooit leefde ik in een tijd waarin ik dacht wereldkampioen judo te worden. Ik trainde twee keer per dag. Mijn leven draaide om trainen, eten, slapen en trainen. Hoogtepunten op dit gebied waren de internationale trainingsstages. Tijdens trainingsweken in bijvoorbeeld Japan werd ik tot het uiterste gedreven met ‘s ochtends en ‘s avonds een twee uur durende judotraining. Op de mat (tatami), een Colosseum met vijfhonderd judoka’s, gold op geaccepteerde wijze het recht van de sterkste. Iedereen had één doel: die ander op zijn rug gooien. Terwijl ik net drie sprieten schaamhaar had, stond ik tegenover Russische woestelingen met borsthaar dat in een lijn doorliep tot hun vierkante kop, met twee duistere ogen die zeiden: ik ga jou slopen. Het was als nieuweling overleven als een pasgeboren impala op de Afrikaanse Savanne. Na een week had ik blauwe schenen, gekneusde vingers en schaafwonden, maar ik had het overleefd…

Ach, misschien moet ik mijn mislukte judocarrière niet botvieren op die sneue stelletjes die denken (hard) te trainen. Misschien moet ik accepteren dat crossfitstelletjes met hun bidonnetjes en nodeloze handgrips in hun optiek noeste arbeid leveren. Misschien moet ik accepteren dat het bij dit soort types draait om zien en gezien worden in plaats van bloed spugen, bloemkooloren en tape om je vereelte, scheefstaande vingers.  

Dan zwaait mijn kamerdeur open en staat zij daar in de deuropening: “Ik roep je vier keer, ben je doof ofzo?” zegt ze geagiteerd. Ik glimlach. Soms is ze nog mooier als ze boos is. “Wat zit je nou te doen?” vervolgt ze. “Onze les begint zo. Pak je spullen. We moeten gaan.” Ik zucht en pak mijn nieuwe gympen, bidon en loop achter haar aan. “We kunnen ook gewoon een biertje drinken in de Du,” probeer ik nog. Ze kijkt me aan: “Nee. We zouden gaan sporten. Dat wilde jij toch zo graag.” Ik kijk haar aan. Precies, bedenk ik me, ik wilde dat graag, vanwege jouw op de loer liggende corpulentiede reden voor gasten om hun vriendin mee te nemen naar crossfitten.
“Ja liefje, laten we snel gaan sporten.”

Meer M.H.R.Puttmann? Lees hier over zijn vriend die vreemdgaat.

Fotografie: Hans Palmboom.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here