Ze wil niet dat ik over haar schrijf. “Altijd die kut columns van jou,” zei ze laatst kribbig. “Ik ben wel een beetje klaar met die onzin.”

We zaten op een bankje in het Kenaupark. De eerste zonnestralen dwarrelden door de lucht, het begin van de lente schitterde in haar ogen. Ik draaide mijn hoofd en keek voor me uit. Een zoontje schopte een bal naar zijn vader die blijkbaar Ajax had gezien en als een trekpop iets met de bal probeerde wat hij duidelijk niet kon. “Weet je,” aan haar toon merkte ik dat ze nog niet klaar was. “Jij doet zo stoer met je schrijverij en vindt dat je alles moet kunnen schrijven, maar enkele uitzonderingen daar gelaten vind ik jouw pseudo-schrijverij vooral van wanstaltige aard.”
“Maar je vindt er tenminste wel iets van,” riposteerde ik. “Dat is wat ik wil: het moet iets losmaken.” Ze draaide haar hoofd en keek me geconsenteerd aan. Op dit soort momenten werd ik bevangen door haar schoonheid. “Maar, probeer nou eens keer iets moois te schrijven, zonder iemand tegen je in het harnas te jagen,” zei ze. Ik zuchtte, gleed met mijn hand over haar bovenbeen en bracht mijn mond tot één centimeter voor haar lippen. Tussen de walmen van de ophanden zijnde nieuwe paringstijd rook ik haar als de bloesem van een Japanse bloementuin. Ik sloot mij ogen en dacht aan onze eerste avond in de bar. Associatief dacht ik ineens aan gisteravond – ook in een bar.

Ik zat in Café de Vijfhoek met Aardt. Verderop zat een opvallende man die mij deed denken aan iemand die aan larpen deed. Hij had een bril en aan zijn kin hing als een lange frietzak een rood, vlassig baardje. Nadat ik naast hem kwam te zitten, raakten we in gesprek. Hij was historicus, maar blijven hangen bij een of andere treurige kantoorbaan. Nadat ik had verteld dat ik schrijven leuk vond, wekte ik meer zijn interesse.
“Waar zou je over willen schrijven dan?” Hij nam een slokje van zijn bier. Ik dacht na. 
“Ik zou willen schrijven over mijn moeder die mij op mijn vierde te vondeling had gelegd aan de rand van het bos. Als ik niet door een roedel wolven was gevonden, die mij vervolgens opvoedde en als een van hen beschouwde, had ik hier niet gezeten. Ik kan nu nog steeds communiceren met wolven.”
Druppels ongeloof droppen via de binnenkant van zijn dikke brillenglazen in zijn puntzakbaard. 
“Grapje,” zei ik snel. “Nee, ik zou willen schrijven over de liefde.”
“Niet bepaald een onderwerp waar al veel over is geschreven,” zei hij cynisch. “Maar, weet je, als je daarover schrijft, moet je wel jezelf bloot durven leggen. Je moet dicht bij je kern blijven en je gevoel als onbesneden cocaïne vastleggen op het papier. Kun je dat?” 
Nu keek ik hem ongelovig aan en nam ik een slokje bier. 
“Dat is niet aan mij om te bepalen,” zei ik. Hij dacht na.  
“Wat is het laatste dat je hebt geschreven over de liefde.” Ik keek hoe de barvrouw drie biertjes op het tafeltje naast ons zette, pakte tenslotte mijn notitieboekje en bladerde naar de laatste pagina. Ik gaf hem het boekje. Hij begon te lezen. Zijn lippen deinden zacht mee op het ritme van de woorden.
  
Zeiken over liefde  
In een rivier van mensen stond als een eenzame rots een krakkemikkige man. Met gebochelde rug leunde hij op zijn rollator. Zijn bevlekte pantalon was te groot – of zijn beentjes, die als ijzerdraadjes doolden in de pijpen, waren te dun. Van een afstand aanschouwde ik dit beeld, toen hij zich plots iets leek te beseffen. Zijn hoofd schudde van wanhoop. Hij schokte. Zijn handen grepen naar zijn kruis, waar zich als olievlek het kwaad langzaam verspreidde.
Ik heb niet de illusie nooit mijn broek vol te zeiken, maar ik hoop, als het zover is, dat jij er zal zijn om mij bij te staan; dat ik niet in eenzaamheid, langzaam wegsterf, maar dat ik jou mag kussen. Een leven lang. Maar, liever help ik jouw gerimpelde schoonheid als je jouw rok vol zeikt. Of erger, want dat is liefde.  

“Dat is best mooi,” zei de baardman. “En ga je dat ergens voor gebruiken?”
“Geen idee,” antwoordde ik.
“Volgens mij heb je gevoel voor het woord.”
“Vooral gevoel voor wort,” ik knipoogde en hief mijn glas. Hij lachte en vroeg: ben je verliefd?” Ik glimlachte, voelde een warme gloed en besefte plots dat ik op het bankje in het Kenaupark zat. 

“Ga je me nog een zoen geven of hoe zit dat?” klonk haar stem als iemand die te lang moest wachten bij de bakker. Ik opende kort mijn ogen, drukte mijn lippen op de hare en dacht: en of ik verliefd ben en daar zal ik verdomme over schrijven ook.

Meer M.H.R. Puttmann – en dat wil je – check zijn vorige met smaragd bedekte stukje proza.

Foto: Hans Palmboom

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here