De kansen voor ’n stad van introverte doemdenkers

Nu heel Rotterdam nog aan het nasnotteren is over zijn prachtige stad en een voetbalclub die na tig generaties weer eens kampioen wordt, is één ding wel duidelijk; Rotterdammers hebben iets waaraan het Haarlemmers ontbreekt. En dat heet eigenwaarde. Nee, we hebben het hier niet over vooringenomenheid, arrogantie of een sterke overtuiging, we hebben het over een gepaste maar helder geformuleerde eigenwaarde. Waartoe zijn we als Haarlemmers op aard, waar zijn we trots op met zijn allen en wat maakt dat iedereen eigenlijk bij onze club zou willen horen? En willen we dat strikt voor onszelf of houden we rekening met onze medemens?

Bij het stellen van deze vragen stuit je onherroepelijk op twee valkuilen. De één is dat we ons liever richten op wat stapels stenen, gebouwen en pittoreske views en de ander is dat mensen van buitenaf ons eigenlijk voor geen meter boeien. Als je Haarlemmers vraagt waar ze trots op zijn, dan is dat het feit dat ze tien minuten van het strand, van Amsterdam en van de bollen wonen. We koesteren het weetje dat Ocean´s Twelve hier een nanoseconde is opgenomen, dat Gordon Haarlemmers ronselt op de Grote Markt om mensen publiekelijk af te zeiken en dat we elke week wel een Haarlems huis op televisie tegenkomen dat een verbouwing of metamorfose moet ondergaan. Het liefst blijven we ons focussen op wat de stad voor ons kan doen, niet wat wij kunnen bijdragen aan de stad. En, wat we niets vinden, negeren we massaal tot het faillissement er op volgt.

Kranig weerstand

Ik heb een zwak voor mensen die zo overtuigd zijn van hun eigen kunnen, dat de wereld voor hen ophoudt buiten de stadsmuren. Alsof Haarlemmers zichzelf zien als een klein Gallisch dorpje dat zich kranig weert met toverdrank tegen alle invloeden van buitenaf. Het is fascinerend om te zien hoe een gemiddelde Haarlemmer vol overgave voor persoonlijk gewin gaat, maar tegelijkertijd zichzelf opoffert om toe te treden tot een Rotary van gelijkgestemde geslaagde geesten die denken de wijsheid in pacht te hebben. Haarlemmers schreeuwen om aandacht en erkenning, maar vergeten dat ze de wereld om hen heen hebben afgestoten. Amsterdammers zijn arrogant, Leidenaren zijn dom, Zandvoorters zijn plebs, Alkmaarders zijn kaaskoppen en de rest is onverstaanbaar en boertig. Wat er buiten onze stadsmuren gebeurt, is nou eenmaal niet zo interessant.

Harde feiten

Als je erover nadenkt, dan word je gillend gek. Het is dan ook niet vreemd dat de regio Kennemerland al decennialang relatief een zeer hoog zelfmoordcijfer heeft. Zeker in vergelijking met Amsterdam. Oké, sinds de grondverzakkingen en aardbevingen in Groningen voert de Noordelijke provincie opeens de lugubere statistieken aan, maar we zouden met zijn aandacht moeten hebben voor de depressionado’s die radeloos uit het leven stappen omdat er naar zeggen geen andere uitweg meer is.

Ik kan me niet voorstellen dat ’t niet schuurt, knaagt en ons niet diep raakt. Psychiatrische instellingen in en rondom Haarlem, en daar zijn er een hoop van, helpen niet bepaald om de Haarlemmer een meer positief imago mee te geven. De ooit zo hoge carrière-verwachtingen van smokkelaars, arbeiders, boeren en zeelui uit Vlaanderen, Brabant, Zeeland en zelfs IJmuiden zijn generaties lang niet waargemaakt of uitgekomen. Wannabe-muggen hebben zelden hoger kunnen komen dan de eerste sport van de maatschappelijke ladder. Dat besef steekt intens. Het jeukt generaties lang door.

Bijna-dood-ervaringsdeskundigen

Gitzwarte treurnis verpakken en verkopen we als een bonte mix van humor, nostalgie en medelijden. Haarlemmers zijn heel goed in staat om alles te bagatelliseren tot een ‘fin-de-siecle’-gevoel, een Gotterdämmerung waarbij het niet uitmaakt wie je bent of wat je doet omdat de wereld toch naar de klote gaat, niemand helpt en jij er niets aan kunt veranderen of verdienen. In een sterfhuisconstructie maken we van stervensbegeleiding onze core-business. De rest? Das war einmal. Ik hoorde het van de week mijn overbuurjongetje van 10 nog zeggen tegen zijn vriendje: “Ik kan heel goed spelen dat ik dood ben, da’s mijn talent!”

We zijn er nu eenmaal

Als je beseft dat muggen in de hele wereld te boek staan als nutteloze, bloedirritante beestjes zonder enige vorm van ‘likeability’, dan kun je daar inspiratie uit putten. We zijn onuitroeibaar en met velen. Niet voor niets zetelt het Bestuur van de Rechtbank in onze stad en kiezen steeds meer advocaten voor een kantoor aan een van onze grachten.
Met zoveel leed, bloed en ziektekiemen als wetenschap zou je verwachten dat het hoofdkwartier van de bloedbank, het Rode Kruis, de WereldGezondheidsOrganisatie en de halve farmaceutische industrie baat zouden hebben bij dat ene Gallische dorpje dat kranig weerstand blijft bieden tegen invloeden van buitenaf. We weten wat het is om immuun en resistent tegelijkertijd te zijn. Tel daarbij op dat bedrijven zoals Monuta inmiddels tot de grootste werkgevers van de regio behoren met Westerveld in Driehuis als finale ‘place-to-be’ en ‘hotspot’, dan zijn de mogelijkheden eindeloos. De sky is the bloody limit!

Wat je daarvan ook zou mogen of willen vinden.

Tekst: René van Stekelenborg

2 COMMENTS

  1. Het is allemaal waar, het is de waarheid van depressiviteit. Het is niet te ontkrachten, het is waar! Geluk zit dan ook in het gelukkig zijn ondánks.. alle narigheid. 😉 lekker stukkie hoor!

LEAVE A REPLY

Please enter your comment!
Please enter your name here