Ik stap in Haarlem uit de trein en pers me langs de meute van de trap richting de stationshal, om met een versnelde pas richting de bussen te kunnen lopen en niet – alweer – de aansluiting te hoeven missen. Het is vrijdagavond, iedereen wil zo snel mogelijk naar huis, weekend vieren. Terwijl ik de trap afdaal, zie ik een vrouw een bodyrol maken en denk blij dat ze groot gelijk heeft. 

Heel vaak zit, nog vaker sta, ik in de trein of op het station waar zes mensen per vierkante centimeter zichzelf staan te verdrukken. Je voelt de geur van je versgewassen haar wegsijpelen uit de punten en je gewaarwordt op hetzelfde moment een penetrante zweetlucht en knoflookgeur.
Een moment dat ik denk: laat ik in plaats van me te ergeren aan de lichaamsgeuren van iedereen op links of de luidruchtige, sterk geurende mondademhaling van de persoon op rechts, eens proberen een luchtig praatje aan te knopen met een van de medereizigers. Bijvoorbeeld door de vrouw naast me te vragen: “Zeg mevrouw, waarom leert u, staand in een overvolle trein, eigenlijk Litouws? Gaat u op reis? Of komt een familielid van, zeg, 30 jaar geleden net op Schiphol aan met een voor u nieuw, Litouws kleinkind? En mis ik een episch Hello Goodbye-moment als ik nu zwijgend naast u blijf staan?”

Of zal ik gewoon eens een liedje inzetten, puur om te kijken of we een zuiver canon kunnen bereiken voor we Sloterdijk aantikken, om vervolgens viral te gaan op YouTube? Eén van de reizigers was namelijk natuurlijk zo slim om deze spontane flashmob te filmen. Uiteraard klinken we allemaal loepzuiver en ja, hier kijken we nog minstens 25 jaar met een uitermate nostalgische blik op terug.

Maar bij mij blijft het altijd bij hersenspinsels en verval ik in m’n oer-Hollandse zucht naar de klaagzang, opgetrokken neusvleugel paraat voor ieder geurtje, misprijzende blik naar de boosdoener, om vervolgens m’n telefoon te pakken en als een apaat langs m’n Instafeed te scrollen, tot de omroeper eerst in Nederlands dan in Engels het relaas houdt dat we zijn aangekomen op het eindstation van de trein.

Mijn hart maakte dan ook een sprongetje toen ik zag dat die vrouw wél het lef had, schijt te hebben aan de rest en voor het oog van een meute van de trap af stormende reizigers gewoon een bodyrol maakte. Ik was er klaar voor om met hetzelfde lef een compliment te maken zodra ik eenmaal op gelijke vloer zou staan. Tot ik zag dat stap twee en drie en haar verdere tred richting uitgang ook als een bodyrol oogde en ik mij kapotschaamde, omdat die arme vrouw niet anders kón lopen en ik haar als een bodyrollend wonder had aanschouwd.

Ik loop, geschrokken van mijzelf, haastig langs haar, pak mn ov-chipkaart en hoop van harte dat ze mijn goedbedoelde lach om haar bodyrol niet heeft gezien en zo wel, dan in ieder geval niet heeft geïnterpreteerd als het uitlachen van een mindervalide.

Foto’s: Wiebrig Krakau

Meer Suzanne van der Meij en andere columns klik hier.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here