Mijn tante liep de gang in vanuit het liftportaal, zag mijn schaapachtige lach, het rode gezicht van mijn zusje en het witte van mijn oom en hoorde in het kort het verhaal – ze barstte in lachen uit.

De dag dat ik ontdekte dat ik zwanger was, was de laatste zaterdag van de herfstvakantie, ruim zes jaar geleden. Ik zat op een harde, houten stoel in een steriel witte kamer met een paar sfeerloze, nietszeggende prenten aan de muur. Tegenover mij zat de dienstdoende huisarts die net de laatste klank van het verdict uitstootte en haar dunne lippen sloot in een veroordelende grimas.

Het was verschrikkelijk herfstweer, zware regen sloeg tegen de ruiten van de bus waarmee ik naar het ziekenhuis was gereden voor het consult bij de huisartsenpost. Eenmaal uitgestapt waaide het potje urine dat mee moest nog bijna met tas en al in de goot. Lekker.

Al maanden had ik de deur bij mijn eigen huisarts platgelopen met buikklachten. Een paar uit alle gaten gevulde potjes verder, dacht ik dat we op een punt waren aangekomen waarop we alles konden uitsluiten. Boy, was I wrong.  

Zo kwam het dus dat ik daar zat op een vroege zaterdagmiddag met aan de andere kant van het bureau de arts, imponerend door haar enigszins geïrriteerde houding. Ik wilde mijn verhaal zorgvuldig vertellen en was pas net begonnen aan mijn relaas over kwalen en angsten, toen ze me lichtelijk verveeld onderbrak: “Ik kan je het hele verhaal laten vertellen, maar ik kan het ook niet doen.” Fair enough, dat zijn inderdaad de twee opties die je hebt, dacht ik. Vervolgens deelde ze me mee: “We hebben je urine getest en je bent zwanger.”

Het moment dat ze het woord zwanger uitsprak, ik herinner me ieder detail; de blik van de huisarts, het raam met uitzicht op de razende herfststorm, de verweerde zwart-witte zwanen in de Escherprent aan de muur, hoe ik oncomfortabel schoof op de houten stoel… Om daarna weg te suizen in de krachtige betekenis van dat woord. In dat ene moment raasde van alles door mijn hoofd, gaande van hoe te reageren op die boodschap zonder gezichtsverlies te lijden tegenover de huisarts (…serieus? Ja, serieus), naar opluchting omdat die boodschap betekende dat ik niet ziek was, naar schaamte omdat ik die zomer dagenlang lusteloos op de bank elke aflevering Sixteen & Pregnant had gekeken op MTV – met inderdaad het harteloze oordeel dat je toch echt oerstom moest zijn om zwanger te raken én dat vervolgens niet door te hebben, naar een nieuwgeboren angst dat het dan misschien mis zou zijn met het wezentje dat in mij groeide.

Slechts een tel later realiseerde ik me dat de zwangerschap niet pril kon zijn, soort van één en één is twee. De arts adviseerde me om, gezien mijn buikklachten, gelijk even naar Zuid te gaan voor een echo. Ik liep de kamer uit, het ziekenhuis uit en stond in de stromende herfstregen met uitzicht op het treurige Delftplein waar de bussen af en aan reden, zoals ze ook een half uur daarvoor hadden gedaan toen ik nog van niets wist.

Ik had absoluut geen zin weer in de bus te stappen, alleen en inmiddels wat informatie rijker, richting het volgende ziekenhuis – en belde mijn zusje. Lieverd als het is, was ze net bij onze oma op bezoek, waar ook mijn oom was. Ik vertelde de uitslag van de doktersafspraak en hoorde hoe ze zich verslikte in het kopje veel te sterke thee dat ze net had gekregen. Vier jaar jonger en nog zonder rijbewijs, ronselde ze mijn oom – zonder verder precies uit te leggen waarvoor – om samen met haar mij op te pikken en naar Zuid te brengen. Nog geen kwartier later scheurden ze samen de parkeerplaats op. Ik nam plaats achterin en zag de geschrokken blik van mijn oom, dus ging ervan uit dat hij op de hoogte was. Dat bleek achteraf anders. Hij trok wit weg toen ik het onderwerp aanroerde. Een mooi contrast naast het roodbehuilde gezicht van mijn zusje.

Eenmaal in het ziekenhuis werd ik ontvangen door een verloskundige die naar het leek de jackpot der weekenddiensten te pakken had. Vervuld van het feit dat een jong meisje met net ontdekte zwangerschap onder haar hoede had, legde ze me op een bed, spoot een klodder ijskoude gel op m’n ontblote buik en draaide het echoscherm enthousiast naar mij, zodat ik alles zag. Alles zag er goed uit, het wezentje had zich ondanks de stapels sushi en gelegenheidswijntjes een goeie weg gebaand in mijn baarmoeder. Al twintig weken lang.

Nog verbaasd over, of eigenlijk geschokt door, de hele situatie liep ik met mijn zusje de gang weer op, richting mijn oom die lijkbleek en met een trillend been op een stoel zat. Hij was net gebeld door mijn tante die voor het ziekenhuis stond. Ze was meteen naar het ziekenhuis gereden toen ze hoorde dat mijn oom bij mijn oma was en snel richting Zuid moest. Nu vroeg ze hem waar ze precies naartoe moest. Ze was onderweg, dus wachtten we haar op. We stonden wat ongemakkelijk in elkaars aanwezigheid met die grote, zichtbaar onzichtbare olifant tussen ons in, toen mijn tante de lift uit kwam gelopen. Ze zag ons zo samen staan, hoorde een korte samenvatting aan en barstte vervolgens in een proestende lachbui uit.

Het bleek dat het mijn oom in de haast was ontschoten te vertellen dat hij niet voor mijn oma, maar voor mij naar het ziekenhuis moest. In de lift had ze zich voorstellingen proberen te maken waarom een 82-jarige vrouw zich met spoed moest melden bij de afdeling verloskunde en kwam niet veel verder dan een heel hoog vruchtbaarheidsgehalte en een andere invulling van de dagelijkse tafeltje-dekje die mijn oma bezocht. Dan was een jonge twintiger toch een veel geruststellender idee. En terecht, stel je voor.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here