Vanuit zijn ruimteschip aanschouwt hij belangstellend de wereld om hem heen. Het enige wat hij heeft: de fles, z’n typemachine, ideeën. M.H.R. Puttmann -met dubbel t en dubbel n- bewondert het leven en beschrijft gedachten in zijn enigmatische contemplaties, speciaal voor u.

Naast de kerstdagen die voor mij met stip op één staan als het gaat om kuddegedrag waarbij in de kwaadaardige symbiose tussen consument en koopman aan het daglicht wordt gesteld, staat Valentijnsdag op twee. Waar met kerst is verzonnen dat ouders voor hun kroost nodeloze waar in de vorm van cadeaus moeten aanschaffen, wordt door de kleinburgerlijke middenstand met Valentijnsdag manipulatief ingespeeld op het gevoel der liefde, een schandelijke gegeven enkel en alleen in het leven te geroepen om de winkelier een treurig financieel verzetje te geven als een handjob van een besmette lichtekooi met eelt op haar doorleefde knuisten.

Dat mijn zwartgallige kijk op deze amoureuze dag voortvloeit uit het verleden moge duidelijk zijn. Dat begon in groep vijf, ik was negen en verliefd op Tatiana. Weken keek ik uit naar Valentijnsdag, dit zou het moment worden om mijn opgekropte liefde als een explosie te uiten. Ik schreef een liefdesbrief van veertien a4’tjes waarin ik mijn liefde als Nabokov voor zijn Lolita openbaarde. Ook kocht ik van mijn zakgeld a twee gulden vijftig in de week een doos merci – ik wist dat Frans de taal van de liefde was – en van de vijftig cent die over was, kocht ik een ring uit een ballenautomaat. Spijtig was dat de bal met de ring niet als eerste uit de machine kwam waardoor ik vrijwel al mijn spaargeld, a elf gulden, erdoorheen moest draaien en een overschot had aan prullaria waar zelfs Afrika niets mee kon. Maar, ik had mijn ring, niets stond Tatiana en mij in de weg om het pad des liefde te betreden. Via een vriendinnetje gaf ik mijn liefdespakket. Het enige wat ik nog weet is dat ze met lucifers de liefdesbrief in brand probeerde te steken en de conciërge Willem, die een lui oog had en riekte, vroeg om een schep zodat ze de ring kon begraven. De chocolaatjes gaf ze aan Benny die niet helemaal goed was.

Pas jaren later, op de middelbare kreeg ik weer te maken met liefde. Op 13 februari kreeg ik van een vriendin van Patricia tijdens Nederlands een briefje. Of ik verkering wilde met Patricia, een bijzondere verschijning als een bouwvakker. Haar vlekkerige gezicht leek op een enorme vis met vragende ogen en soms kwijlde ze. Goed, geen schoonheid, maar, liefde kan groeien zei mijn opa op zijn sterfbed, dus ik zei maar ja. Op Valentijnsdag, briefjes gingen over en weer, moest ik na het laatste uur naar het fietsenhok komen. Dus daar stond ik samen met mijn vriendin. De vriendin van Patricia, die mee was gekomen, zei dat wij nu met elkaar moesten gaan. Toen ze had uitgelegd wat dat was, weigerde ik. Ik had een koortslip en wist hoe besmettelijk dat was. Patricia stond apathisch toe te kijken, werd meegetrokken door een woedende vriendin, die riep dat het nu uit was. Daar stond ik in eenzaamheid gehuld, natuurlijk begon het te regenen. De volgende dag hoorde ik dat die vriendin een weddenschap had of ze mij kon laten zoenen met Patricia, toen wist ik zeker: ik haat Valentijnsdag.

En ieder jaar voel ik de pijn van de liefde door mijn ziel snijden, ieder jaar ween ik zachtjes op de muziek van Scarlatti, ieder jaar grijp ik naar de fles en ieder jaar, verdomme ieder jaar, zit ik onder de brievenbus te wachten en te smachten op een teken van de liefde: ambivalentie in optima forma.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here